Untitled (oil world)_website.jpg
banner_book_.jpg
Untitled (oil world)_website.jpg

Text


SCROLL DOWN

Text


The disguise of objects.        

by Jorge Antonio Fernandez Torres (curator and director of the Museo Nacional de Bellas Artes de Cuba)

 

Despite the developments in conceptual art and minimalism in the United States, it is Europe where the confrontation of political ideas and ways to think about the object develops within the art scene; with Arte Povera as a result. These artists consider the creation and subsequent evolution to be boundary. The material is not seen as a source in itself, the object does not take the form of an image, but is considered a living thing that participates in the drama of human existence.

A creator such as Gert Scheerlinck doesn’t escape to a story like this. His gaze is not built on a binary polarization of boundaries between sculpture and installation, or the prosaic and the poetic. Gert’s interests are not manifest in his speeches nor do they leave evidence. There is something that is hidden and that navigates in the subterfuge of a script that we cannot decipher. It is not about juxtaposing different universal codes or creating a script from the material either, nor about tracing the influence of the previous origin of the object which we identified. Gert Scheerlinck is questioning the meaning of sculpture from the legitimacy that produces its placement in the public sphere or the art institution.

Gert’s work has much in common with Latin American artists who embody this kind of work, we refer to Cildo Meireles and Gabriel Orozco. His work enters into that hybrid zone of the global and the local, where the artist opens a conversation between the territorial and the universal. When studying his work, it is interesting to see this fragile crossover between sculpture and installation in different works, in a language where the object acts like a performer who improvises his place in the scene.

We are dealing with an artist who not only moves values that reach a symbolic dimension, but also challenge us at different angles, starting with very important values: industrialization, communication, awareness of ecological disasters on our planet, … values that reveal themselves as micro dissections. Although the objects show their structure, they are reconstructed from the fragment. It is not essential to display the work, it is not important for Gert to show his beloved objects, it is about the visitors to find a possible story in what they see. It is for this reason that the approach to his work is not always easy to find. It is a quest in which the discovery of the detail discreetly points to the complexity of the syntax.

Scheerlinck introduces a way of thinking about art that, although sometimes quite dark, takes into account the power of imagination. In my opinion, Gert brings a twist he approaches through his own symbolism, and this estrangement between the invention and what is projected as reality. The everyday world presents itself as a eulogy residing between the natural and the artificial, a confrontation biased by prosthetics that make us dependent. Scheerlinck creates this other place, that is neither commemorative nor apocalyptic, it is the small circle of common things. Each work being an image of life itself, in small and higher expectations, in dreams and nightmares, in determinations and sighs, …

There are many ways to unravel Gert’s work, his work exists across a variety of mediums in a world that questions objects, and is going into the obsession to preserve their autonomy which in turn, and at the same time, depends on the necessity of the post-autonomy that belongs to contemporary art.

 

Jorge Antonio Fernandez Torres ©

 

 

TheSE THINGS.        

by Marc Vonck (principal of the academy)

 

This exhibition gives a platform to a former pupil of the Academy, Gert Scheerlinck. After 2 years in the Visual Arts class led by Stefaan Vanderhaegen, Gert obtained his Higher Degree and Specialization in Painting under the guidance of teacher Luc De Roeck. Gert was initially intrigued by painting with matter, in particular the work of Antoni Tàpies and graduated with experimental work (paint treatment, addition of non-art materials, the choice of unusual carriers). A number of years and many more exhibitions later (most recently Gert was selected for a cobra exhibition at M-Museum in Leuven), Gert exchanged painting for assemblages, installations and found objects (objets trouvés).

Should Gert have continued painting, he would be the trompe l'oeil - painter of his own ideas. Must one proclaim an interesting object to still life to make then a painterly and pictorial translation of it? Not necessarily: one can focus on the objects themselves and see what is achieved by choosing them, isolating them and combining them (if only minimally). It takes guts and quite some courage but Gert has an excellent technical mastery in order not to do the first and play it safe.

Is this anti-art? A denial of the values of pictorial art? On the contrary, it is precisely because of painting Gert could make this artistic statement. It is appropriate to quote Kurt Schwitters: "Every artist should have the freedom to make a painting with nothing but blotters, stated that he is at all able to make a painting." It is true that a lot of work in this exhibition have pictorial qualities.

But there is more to it. This exciting and challenging exhibition with – say - waste as raw material is packed with artwork that is strongly poetic, sometimes surreal and humorous or socially critical. This can only be the result of an extraordinary imagination, "the capacity to create a different nature from the material that nature itself has provided", as Emmanuel Kant describes it, or one can say the capacity to transform (in contemporary jargon).

Let me conclude with a paraphrase of a statement by Joseph Albers: ("If you have seen that each color changes by a changing environment, you will probably realize that you have learned something about life as well as the color").

"If you have seen how you can transform scrapped and discarded material, you've learned something about life as well as about art."

 

Marc Vonck ©

 

De Verhinderde dingen.       

by Frederik Van Laere

 

Bij wijze van verwelkoming krijgt u van mij een klein, maar zoet bedoeld verwijt: Uw verwachtingen zijn namelijk te hoog gespannen. U heeft beslist om een stuk van uw vrijdagavond te spenderen aan het bezoek van een tentoonstelling. Of u dat nu zint of niet, dat maakt van u een “meerwaardezoeker”. Onze tijd kenmerkt zich nu eenmaal door een taal, die alles kwantitatief uitdrukt, in termen van meer en minder. Meerwaardebezoeker dus… Dat wil zeggen dat u naar hier kwam om winst te maken. Ik laat beleefd in het midden of u dat inhoudelijk of in centen zag, maar ‘meer’ wil je zeker. ‘Meer’ op een theateravond, een lezing of een vernissage, betekent meestal dat u straks, na een babbel en een glas, verwacht om naar buiten te gaan met nieuwe inzichten. Over het werk van een kunstenaar die hier een keuze uit zijn productie laten zien. Dat is een genereuze geste van hem, en dat maakt van u een publiek. Zo’n publiek is doorgaans hongerig. Naar betekenis en decodering vooral, naar een zweem van comfort en gerustheid, zodat u straks de wagen in kunt met een soort bijsluiter, een uitleg, of op zijn minst een “ingang tot” of een kapstok waaraan u een gesprek kan ophangen.

Wat mogen wij verwachten van een kunstwerk? Dat is een banale maar razend actuele vraag. Het lijkt er immers sterk op dat wij sinds kort steeds meer van kunstwerken verwachten. Niet in het minst als retour voor de moeite, de aandacht, de centen en de tijd die aan kunst gespendeerd worden. Want ook dat is eigen aan onze tijd: dat inspanningen moeten renderen en investeringen opbrengen. Voor een uitlegger is het handig als het kunstwerk door zijn figuratie een herkenbare boodschap, een moraal of een commentaar toetert. Met andere woorden; als het ding aan de muur zijn status van voorwerp onmiddellijk ontstijgt door talig of als symbool te verwijzen naar een gekende inhoud, een discours dat bij u en bij mij al eerder is ingesleten. Mijn taak zou er dan kunnen in bestaan om dat vreemde object aan de muur in een gekende piste te lokken. In de filosofie bestaat een heel ingewikkelde traditie van denkers die het enkel maar hebben over de mate waarin we onze wereld kunnen kennen of herkennen. Hoe we de dingen kunnen of moeten lezen. Hermeneutiek heet zoiets, genoemd naar Hermes, de bode van de goden, die boodschappen brengt over de dingen waar wij geen toegang tot krijgen. Kant geloofde zelfs niet dat je de dingen zelf kunt kennen. Heidegger en Gadamer hebben daar ook heel interessante zaken over gezegd: dat wij de wereld slechts kunnen waarnemen of begrijpen via een set aan tools die wij a priori meekregen of bij uitbreiding, met een begrippenset die wij zelf fabriceerden, die cultureel aan ons ter beschikking werd gesteld. Maw: met woorden en een kader die we geërfd hebben. Een ding laat zich niet zien, het openbaart zich. U moet het zien als een peuter met een houten blokkendoos waarin een vierkant, een rond en een stervormig gat zitten. Zo’n kind tast dan aarzelend of het zo’n voorwerp door de juiste openingen kan wurmen. Ik twijfel er niet aan: u bent vast wel wat gewend. U weet best wel een stilleven van een abstract materiewerk te onderscheiden. Gevorderden onder u kennen het verschil tussen pakweg een Cézanne en een Borremans. Enkelen kunnen daar, al dan niet gesterkt door een glas, zelfs een mooie boom over opzetten. Doorgaans krijgt u de vormpjes wel in het juiste gat van de kunsten. Ik onderschat u niet. 

Maar wat begint u wanneer een kunstwerk niet wezenlijk verschilt van de u omringende banaalste voorwerpen, die u dagelijks ter hand neemt of waarvoor u zelfs geen moeite meer doet om erover na te denken? Er zijn immers zo veel dingen, en we maken er steeds bij, aan een neurotisch tempo. Dan ontstaat plots een vervreemding en een zekere verweesdheid. Uw lichaamstaal liegt er niet om: velen van u zijn wat op de tast en oncomfortabel. In deze ruimte hangen immers zaken die niet in de gebruikelijke sfeer van de kunsten thuishoren; een stuk schuimrubber, een lap roofing met twee gaten, een houten plank met een reeks ondiepe kuiltjes, enkele naast elkaar gevezen rubberen noppen. 

Gert Scheerlinck creëert als een strandjutter, hij isoleert gevonden voorwerpen, brengt ze binnen in een ruimte voor actuele kunst als deze, combineert hen in een geheel ander verband dan dat van gebruik of consumptie. Naakt en ontdaan van alle nuttigheid werpt de aanblik van een voorwerp ons terug op een heel basic, zintuiglijke, tactiele omgang met het ding. Omdat ons weinig anders rest dan kijken, doen we dat plots veel geconcentreerder, in de hoop ergens een eigenaardigheid of een reden te speuren, die de sleutel moet zijn van zijn keuze. 

Een roofingshingle hangt wat van de muur af, heeft onderaan een glanzende reep met wat letters van vermoedelijk een merk. Het ding ziet er gebruikt uit, wat ons doet vermoeden dat het ooit van een dak af kwam. Misschien werd het geprepareerd voor gebruik maar belandde het dan toch nog in een container als bouwpuin. Onderaan heeft iemand, wellicht zelfs niet de kunstenaar zelf, twee ellipsvormige gaten gesneden. Daar houdt het qua registratie zowat op. Op de tast met onze gekende blokkendoos maakt ons brein ineens overuren. Er is geen gat waarin deze zwarte gaten passen. Er is wel nog zoiets als associatie. Louter vormelijke: de twee gaten die misschien willen verwijzen naar de gaten in de muren van deze ruimte. Zou de titel van de expo, Inner circle, hem daartoe getriggerd hebben? Of; twee ellipsen als denkbeeldige afdruk van pantoffels misschien? Toegegeven; vergezocht, maar verleidelijk, omdat elke verwijzing naar menselijke aanwezigheid nu eenmaal sneller in ons opkomt dan een andere…Liet iemand hier een spoor na? Dan zijn we plots het domein van de loutere waarneming voorbij en staan we al midden in de projectie. Of hoe een simpel stuk bouwafval ineens naast tactiele, ook emotionele indrukken ontlokt. Een nuchtere, onderzoekende ziel, die al eens een dakdekker aan het werk zag, zal je vertellen dat je op een schuin zadeldakje, om ruimte te laten voor twee doorstekende kachelschouwtjes, ellipsjes moet uitsnijden in plaats van cirkels, zodat het geheel onder een welbepaalde hoek mooi zou aansluiten en niet gaat krullen. Kijk naar de kachelpijp die een vast ingrediënt is van deze ruimte, hoe die door het dak gaat en een ovaal snijdt…

Arte povera is een te povere term. Eens je een voorwerp trakteert op wat meer dan gemiddelde aandacht, als je een beetje zintuiglijk, logisch of emotioneel investeert, doemt uit de armoede van dat gegeven ineens een onvermoed potentieel van interpretaties op. En nu die ijver toch op gang is, en zo je dat wenst, kan er heus nog wat meer bij: een reflectie over onze wegwerpcultuur, omgang met afval, verantwoordelijk-heid over de toekomst van het milieu… U merkt het; het isoleren van een simpele vorm, hem daar zo zwijgend doen tollen voor onze ogen, brengt een stroom op gang, die uiteindelijk veel meer vertelt over ons, onze waarden, angsten en patronen, dan over de kunstenaar. Vergelijk het gerust met de beroemde testen van de psycholoog Hermann Rorschach; een onbestemde vlek zet je aan het mijmeren en wordt een canvas waarop je delen van je persoonlijkheid te kennen geeft. Of een mal, een vorm waarin wij als beschouwer uitgenodigd worden om een indruk in te leggen. Ik denk luidop aan de moules van Broodthaers, of de denkmallen van De Cock. Een ding zal uiteindelijk nooit samenvallen met één betekenis. Het is een beetje zoals het zwevend mozaiëksteentje van Gert, dat boven zijn schaduw cirkelt en er nooit één op één mee overeenstemt. 

Een uitleg die sluit als het deksel op een pot bestaat in Gerts’ geval dus niet: er is hoogstens de warme tolerantie voor het spoor dat jij kiest, al dan niet beïnvloed door een kijker-spreker als ik. Het ding heeft soms een zetje nodig om tot interpreteren te triggeren. Zo hier en daar bouwt de kunstenaar subtiel maar bewust spanning in. Het voorwerp blijft niet enkel roerloos, het houdt ook de belofte van een gebeurtenis in. Langs daar sluipt de tijd in zijn werk binnen, zij het in de ingevroren vorm van iets dat staat te gebeuren. Een elastiek die onder spanning staat, een doos lucifers die balanceert op een twijgachtige stok. In een hoek hangt weeral een cirkel. Van rubber dit keer. Wie de tijd neemt ontwaart een vol bandje in caoutchouc dat werd losgemaakt van een metalen karrenwieltje. Waar een mes door het rubber ging, zit een rechte snede. Het wiel en de as werden niet bewaard. Gert trok de cirkel open en stak in dat rubberen muiltje een houten latje dat ergens rondzwierf in het atelier. Het blijft daar tot dusver geklemd, tot iemand aan beide cirkelhelften zou trekken om het prijs te geven aan de zwaartekracht. Zoals in een U2-song; “an accident waiting to happen”. Vaal geel en vaal grijs verraden dat het stokje meermaals werd gebruikt als roerstaafje in een verfpot. U heeft ze vast ook wel liggen, dat soort latjes, ergens achterin een stalletje, tussen de werkspullen. U moet weten dat Gert ooit startte als schilder. Een caoutchouc wieltje en een mengstokje zijn voor mij een slimme herinnering aan de spankracht van schilderkunst: de belofte die een artistieke daad inhoudt; de suspens van de verfmenger in een simpele, kleine houdgreep.

Recht daartegenover hangt zowaar een nog schilderkunstiger signaal; twee soorten mousse vormen een kleine, geaccidenteerde rechthoek. Anders dan Fontana, die van het doek een object maakte door erin te snijden, keert Gert de zaak om: het binnenste van een Ikeazetel wordt schilderij, de messteek werd hier een cilindervormige inkeping, waar wellicht ooit een veer of een dragend element in stak. Observeer met mij hoe netjes dat gat parallel loopt met de cirkelvormige uitsparingen in de muren van deze ruimte; afzonderlijk object, maar nooit los van de rest van de werkelijkheid: de inner circle van een tentoonstelling. Bedenk ook dat een Ikeaproduct, een idioom van wereldwijde gelijkschakeling, plots een ziel en een identiteit krijgt.

Banale dingen, hebben het ooit geschopt tot kunstwerk. Ergens vooraan vorige eeuw was dat, toen Picasso en Bracque kranten en de rieten zitting van een stoel in hun composities toelieten. Ongeveer op hetzelfde moment presenteerde Duchamps een fietswiel of een urinoir als ready-made. Le tout-fait; In het Frans bekt het beter. Oorlog en communisme: de wereld van idealen en verhalen lag aan diggelen. Het materiële, de verhandelbaarheid, de productie, de hoeveelheid en de verdeling werden een moderne obsessie. De dingen en niet langer de taal, werden ons alfabet. In onze honger naar een verhaal moeten we het vandaag met die dingen doen. Het is een kwestie van troost om ze als totems te zien van onze verlangens, onze vrees, onze liefde. Om ze op te laden met de schoonheid en poëzie die uiteindelijk van jezelf komt. 

Op deze kleine reis langs de dingen, langs de tederheid ervan, die gaandeweg alle omwegen van de waarneming, de associatie en de taal heeft genomen, en de goede wil om meer te voelen dan u wellicht ooit vermoedde, laat ik u achter bij dat voorwerp, wellicht een beetje hulpeloos en onthutst. U was nochtans vriendelijk verwittigd; uw verwachtingen waren wellicht te hoog.

 

Frederik Van Laere ©

 

TUSSEN NU EN LATER.        

by Fons Vandergraesen (professor at the university of Brussels)

 

Op zoek naar oorspronkelijkheid, naar vernieuwing en afwisseling. Naar nieuwe materialen, naar andere vormen van steeds dezelfde dingen. Af en toe kleur: bruin, blauw, een waterig universum zonder vis en vrouw. Een gebroken spiegel, een gekleurd glas, een verpulverd strand. De beweging van het verrassende.

Kenmerkend, de drive, de bevlogenheid, de zin om er iets van te maken, om te worden wie hij wil zijn, te netwerken, te bewegen in het web van de grote kunst. Met fotoboek en Facebook, met moderne media en webdesign, met wil en dank. Met de dynamiek van de mogelijkheid.

Gert verwerkt de lente in zijn werk. Hij laat het zomeren en verwarmt de winter. Hij seizoent met visueel materiaal. Het aprilt in hem. Met zin voor het geheel, met oog voor detail. Met liefde en genegenheid. Met analyse en interpretatie. Met artistieke intimiteit. De seizoenen trillen in zijn hand. Als vluchtige rook. Signalen.

Gert mijmert, denkt na en reflecteert en analyseert. Hij praat bedachtzaam, hij wikt zijn woorden in de weegschaal van de kunst. Om te weten wat ze waard zijn, of ze belangrijk zijn of verdwijnen in de weelde van het nietszeggende. Gert trekt geen lijn. Hij kent alleen het vlak. En de ontmoeting van de vlakken. Hoe ze met elkaar praten, elkaar overtuigen van het tegendeel. Hoe ze ruziën om tot een ander geheel te komen. En dan mokkend zwijgen. Elkaar pijn doen en dan weer verwijten dat het niet anders kon.

Zijn werk is fysiek. Het komt niet moeiteloos tot stand. Maar het staat er. Als een uitdagende provocatie. Niet geschikt voor de kleinheid van de keuken. Wel voor de grootsheid van een helverlichte galerij. 
Zijn werk is emotie en verstand. Een evenwicht.
Tussen zijn en worden.
Tussen nu en later. 

 

Fons Vandergraesen ©

banner_book_.jpg

Book


Book


THE DISGUISE OF OBJECTS              -      DOWNLOAD THIS BOOK AS E-BOOK FOR FREE

"This book provides an overview of recent work made by Belgian artist Gert Scheerlinck.  Each of these art works are an image of life itself in small and higher expectations, in dreams and nightmares, in findings and concerns.". With contributions by Jorge Torres (museumdirector in Cuba), Claudine Hellweg (artdirector Kunst in Huis), Carmen Ghecca (Articulate art magazine), Lien Lannoo (art critic), Paul Weiner (for Critique Collective) and Marc Vonck (director of the academy)

 

THE DISGUISE OF OBJECTS, 166p, hardcover, 2017.

  • Art works and photographs: Gert Scheerlinck
  • Interview: Paul Weiner and Carmen Ghecca
  • Translation: Ivy Vanderheyden, Lynn Tanghe
  • Pages: 166, full color
  • Width and height: 150mm x 200mm
  • Weight: 500 g
  • Binding: hardcover
  • Language: English
  • Limited Edition (35 signed copies, only 15 left)
  • Published: jan 2017

Please contact me for a copy !